In de dagelijkse onderwijspraktijk regeert een aantal hardnekkige misverstanden over motivatie. Deze misvattingen zorgen ervoor dat onderwijsgevenden motivatiedoelen nastreven die niet te bereiken zijn of een 'motiverende' werkwijze hanteren die in praktijk demotiverend blijkt te zijn.
Daardoor steek je misschien energie in zaken die je niet opleveren waar je zo hard voor werkt: gemotiveerde leerlingen. Terwijl je met een net iets andere insteek waarschijnlijk wel bereikt wat je wilt.
Tijd dus om één van de meest hardnekkige misverstanden uit de wereld te helpen! Zodat je op basis van de juiste informatie beslissingen kunt nemen over wat past bij jou en jouw leerlingen als het gaat om motiverend werken in het onderwijs.
Misverstand: Als je écht wilt motiveren, streef je naar intrinsieke motivatie, want je kunt alleen goed leren als je intrinsiek gemotiveerd bent.
Er is sprake van intrinsieke motivatie als iemand een taak doet omdat die zijn interesse heeft, hij van de taak geniet of de activiteit zijn behoeften bevredigt. Kortom: als de motivatie helemaal van binnen uitkomt.
Inderdaad leert een mens makkelijker en met meer diepgang als zij intrinsiek gemotiveerd is. Maar hoe reëel is het om te verwachten dat verplichte taken op school altijd aansluiten bij de interesse van de leerlingen of hun individuele behoeften bevredigen? Niet, denk ik. Door toch 'intrinsieke motivatie' als hoogste motivatiedoel voor jezelf te stellen, sorteer je voor op voortdurende teleurstelling. Intrinsieke motivatie komt vanuit de leerling zelf en is door jou eigenlijk nauwelijks te beïnvloeden. Jij kunt hooguit de omgeving zo inrichten dat gevoelens van competentie, autonomie en sociale verbondenheid van je leerlingen optimaal aan bod komen. In een dergelijke omgeving is de kans op het ontstaan van intrinsieke motivatie het grootst.
Houd er echter rekening mee dat je in een schoolsituatie als docent of leerkracht altijd ook zult moeten werken met een vorm van extrinsieke motivatie. Zelfs op scholen die volledige autonomie van leerlingen nastreven. Dat is niet erg, zolang je streeft naar een vorm van extrinsieke motivatie die het welzijn van de leerlingen niet belemmert.
Ik zal je niet lastigvallen met de wetenschappelijke termen voor de verschillende vormen van extrinsieke motivatie. Ik beperk mij hier tot de inhoudelijke componenten van die vormen van extrinsieke motivatie die zorgen voor inzet, interesse en een positieve werkhouding bij leerlingen. Want dat is uiteindelijk waar het om draait!
Een haalbaar streven is zodoende om te werken op basis van AUTONOME motivatie in plaats van alleen intrinsieke motivatie. Op die manier kun je leerlingen motiveren door aan te sluiten bij hun behoeften en interesses EN bij wat belangrijk voor hen is of past bij wie zij zijn.
Op die manier kun je het eeuwige streven naar ‘leuk’ onderwijs af en toe loslaten. Je hebt een extra ingang naar gemotiveerd leerlinggedrag via het BELANG van leerlingen en passende onderwerpen of werkvormen. Ik geef je een voorbeeld over motivatie op basis van belang en wat passend is. Pauline is 13 en zit op een democratische school. Dit houdt in dat zij volledig vrij is om haar eigen ontwikkeling en leerweg vorm te geven. Op haar school is er geen vastgesteld curriculum. Er gaat geen schoolbel en leerlingen maken zelfstandig afspraken met docenten om les te krijgen. Zou Pauline haar activiteiten puur op basis van intrinsieke motivatie kiezen, dan zou ze, zoals het een puber betaamt, hele dagen op de bank hangen en kletsen met leeftijdgenoten. Daarnaast zou ze lezen en paardrijden omdat dat haar grote passies zijn. En niemand die haar op deze school zou dwingen andere activiteiten op te pakken. En toch doet ze andere dingen. Enerzijds omdat ze heeft ervaren dat ze niet lekker in haar vel zit als haar cognitieve honger niet gestild wordt. Anderzijds omdat zij heeft vastgesteld dat het voor haar toekomst belangrijk is om een VWO-diploma te behalen. Daardoor is ze gemotiveerd om schoolvakken aan te pakken. Vakken zoals wiskunde en Engels die ze leuk vindt maar ook vakken die haar interesse eigenlijk niet hebben. Want ze heeft vastgesteld dat ze voor een studie Diergeneeskunde o.a. natuurkunde & scheikunde nodig heeft. En dus spant zij zich ook in voor “het TE saaie” NASK. Pauline laat zo in praktijk zien dat je ook gemotiveerd kunt zijn voor belangrijke maar in beginsel minder leuke activiteiten.
Houd bij het streven naar autonome motivatie de volgende aandachtspunten in het oog:
-
Leuk is niet fout. Uiteraard mogen leeractiviteiten nog steeds leuk zijn, ook als je werkt op basis van autonome motivatie.
-
Motivatie ontstaat bij de gratie van de mate waarin leerlingen zich in de leersituatie competent, autonoom en sociaal verbonden kunnen voelen. Ook voor het ontstaan van autonome motivatie zijn deze aspecten cruciaal.
-
Jouw belang is niet gelijk aan het belang van de leerling. Of iets belangrijk is, is een subjectieve mening. Dat in jouw ogen een bepaalde activiteit belangrijk is, wil nog niet zeggen dat de leerling dit ook als zodanig ervaart. Zeggen “het is nu eenmaal belangrijk voor je toekomst” heeft dan ook vaak niet het motiverende effect dat je hoopt. De leerling zal dit belang zelf moeten inzien en ervaren om er door gemotiveerd te raken.
-
Een leeractiviteit laten passen bij wie de leerling is, kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door de leeractiviteit aan te laten sluiten bij een voor de leerling interessante context of door een werkvorm te kiezen die bij het kind past (zoals filosoferen voor een sterk verbaal ingesteld kind, praktisch werken voor een doener).
Kortom: streven naar onderwijs volledig op basis van intrinsieke motivatie is irreëel en legt de lat voor jou als onderwijsgevende onnodig hoog. Streef liever naar autonome motivatie, waarbij leerlingen gemotiveerd worden doordat taken en activiteiten interessant, leuk, bevredigend, belangrijk of passend voor hen zijn.
Reacties