Ongetwijfeld wil jij het beste uit kinderen halen. Je bent trots als ze goed presteren. Hoe hoger de cijfers en hoe positiever de beoordelingen, des te meer voel jij dat je het als onderwijsgevende goed doet.
Een beetje competitie in de klas kan helpen de prestaties te verhogen. Misschien gebruik je het (on)bewust aanwakkeren van de onderlinge competitie zelfs als een stimulans om leerlingen beter te laten presteren.
Onderlinge competitie bevordert prestatiegerichtheid. En prestatiegerichtheid lijkt een handige eigenschap voor leerlingen die iets willen bereiken in dit leven.
Prestatiegerichtheid heeft echter een aantal neveneffecten die je in het onderwijs juist niet kunt gebruiken. Het kan leiden tot demotivatie en hogere schooluitval – juist elementen die je wilt vermijden bij het opleiden van kinderen en jongeren.
De negatieve kant van prestatiegerichtheid wordt veroorzaakt door de volgende aspecten:
- Leerlingen die gericht zijn op presteren of het beter doen dan anderen, verwerken de leerstof op een oppervlakkige manier. Ze maken zich de leerstof niet echt eigen en gaan de diepte niet in. Er is weliswaar sprake van kennis (genoeg om een voldoende voor het proefwerk te halen) maar echt begrip ontbreekt. Bovendien blijkt de kennis die tijdens het proefwerk nog werd gereproduceerd, een aantal weken later alweer voor een groot deel verdwenen te zijn.
- Prestatiedoelen hebben een negatieve invloed op de sociale relatie tussen docent en leerlingen en tussen leerlingen onderling. Competitie in de klas leidt ertoe dat leerlingen het beter willen doen dan anderen. Hierdoor laten zij positieve nevendoelen van onderwijs, zoals delen en samenwerken, los. Zij ‘gaan’ voor hun eigen belang en hechten daardoor minder waarde aan sociaal onderling gedrag. Daarnaast is er vaak een bepaalde druk door de docent of leerkracht om een prestatie te behalen. Dergelijke druk ontstaat bijvoorbeeld door het geven van extrinsieke beloningen of door het beperken van de keuze in de manier waarop een kind iets leert. Sommige docenten gaan zelfs zover dat ze emotionele steun aan een leerling als wisselgeld gebruiken. Zij zeggen dingen zoals: “Als je deze keer geen voldoende haalt, zie ik het niet zitten om me nog voor je in te spannen”. Leerlingen gaan zich hierdoor passief en afwerend opstellen ten opzichte van de autoriteit van de leraar[1].
.
- Leerlingen met een lage perceptie van hun eigen kunnen, zullen hun inzet verlagen. Hier zit een bijzondere psychologische constructie achter. Als je twijfelt aan je capaciteiten en je zet je heel bewust niet voldoende in, dan zul je eventueel falen kunnen toeschrijven aan de te lage inzet. Span je je echter wel voldoende in, en faal je dan, dan zul je moeten erkennen dat je niet voldoende capaciteiten had voor deze taak. Het mag duidelijk zijn dat het laatste minder goed is voor je zelfbeeld. Leerlingen die verwachten niet goed te zullen presteren, zullen zich minder inzetten om zodoende hun zelfbeeld te behouden.
- Een kleine kans op een succesvolle prestatie is funest voor het gevoel van competentie. Een kleine kans op schoolsucces, bijvoorbeeld omdat alle andere kinderen in de klas beter presteren dan jij, leidt zo tot demotivatie en uiteindelijk ontduikend gedrag[2].
- Prestatiegerichtheid tast het zelfbeeld aan van kinderen en jongeren die minder goed mee kunnen komen. Zij ervaren hoe het systeem hen, via beoordeling van hun cognitieve prestaties, als het ware voorsorteert voor een maatschappelijke driedeling tussen wat prof. Micha de Winter omschrijft als burgers, onderburgers en bovenburgers[3]. In de schoolcontext is de beleving over het algemeen dat leerlingen die goede cijfers halen meer waard zijn dan zij die het niet zo goed doen. Het onderwijs (re)produceert zo, ongewild, ongelijke verhoudingen tussen verschillende groepen burgers. Dit heeft zonder twijfel verstrekkende invloed op de ontwikkeling van de identiteit en het zelfbeeld van leerlingen.
De negatieve aspecten van prestatiegerichtheid kun je vrij gemakkelijk ombuigen in een positieve richting door niet de prestatie maar het proces centraal te stellen. Je kan dit doen door bewust te letten op de mate van samenwerking tussen leerlingen. Of door inzet als maatstaf te nemen. In dit kader zou je ook kunnen letten op het feit of een kind zich ontwikkelt. Weet en kan een kind meer dan voorheen? Dan is er sprake van een positieve ontwikkeling, ook als deze leerling in vergelijking met anderen minder kan of weet
.
Je kunt prestatiegerichtheid ook verlagen door leerlingen eigen leerdoelen te laten stellen. Let hierbij wel op dat een leerling daadwerkelijk een leerdoel stelt en niet een prestatiedoel. "Het halen van een 9" is een prestatiedoel, "het kunnen beschrijven van de familierelatie tussen Europese koningshuizen in de 18e eeuw” is een leerdoel.
Tenslotte heeft het ook een positief effect om de leerlingen hun eigen ontwikkeling te laten beoordelen. Wanneer je ruimte krijgt om zelf naar je eigen vorderingen te kijken dan ontstaat niet of nauwelijks onderlinge competitie. Dit zorgt ervoor dat de prestatiegerichtheid veroorzaakt door het krijgen van een cijfer, niet ontstaat.
Kortom: het beste uit de leerlingen halen doe je door gericht te zijn op het leerproces en prestatiegerichtheid en onderlinge competitie tot een minimum te beperken.
[1] Covington M.V. (2000). Goal theory, motivation and school achievement: an integrative review. Annual Review of psychology, 51, 171-200
[2] Stevens, L. (1997). Overdenken en doen: een pedagogische bijdrage aan adaptief onderwijs. Den Haag: Procesmanagement Primair Onderwijs.
[3] Winter, M. de (1995). Kinderen als medeburgers: kinder- en jeugdparticipatie als maatschappelijk opvoedingsperspectief. Utrecht: De Tijdstroom.
Reacties